• Hijsen, heffen en sprookjes in het theater, Rinus Bakker, Zichtlijnen 33, februari 1994

    Rinus Bakker, technisch directeur van Rhino Rigs BV, verbaast zich al enige tijd over de weinig structurele manier waarop er in ons land wordt omgegaan met technische beschouwingen en documentatie waar het theaterinstallaties betreft. In onderstaand artikel hoopt hij zelf een bijdrage te kunnen leveren aan de verbetering van informatie-uitwisseling op dit gebied.

    Sprookjes
    De Dikke van Dale’s definitie van een sprookje luidt: “in mondelinge overlevering verbreide vertelling waarvan de inhoud (…) geheel to0t het rijk der verbeelding behoort”. Een definitie waar waarschijnlijk niemand iets tegen in te brengen heeft. Maar wat is hijsen en wat is heffen? Vrijwel allemaal hebben we daar een idee over maar is dat voor iedereen hetzelfde idee? Ik durf te stellen van niet. Toch gelden voor iedereen die hijs- en hefwerktuigen bouwt, installeert of  bedient dezelfde regels en voorschriften. Deze worden nu ook bewust ervaren in de theaterwereld, die een onderdeel is van de samenleving als geheel. Dat theater niet op de een of andere manier daarboven verhevenis, mag met het oog op de Arbowet en het Veiligheidsbesluit Restgroepen al voldoende bekend zijn gebleken. Tenslotte is, in het telkens weer oplaaiende gevecht om subsidies, de positie van het theater ook niet verheven boven bijvoorbeeld gezondheidszorg, ontwikkelingshulp of openbaar vervoer.

    Maar we waren bij hijsen en heffen. Van Dale houdt het er in beide gevallen op dat er iets naar boven moet. In het geval van hijsen: “naar boven halen, in de hoogte trekken, door middel van over katrollen lopende touwen”, en in het geval van heffen: “omhoog, in de hoogte brengen, beuren, lichten of tillen”. Het onderscheid is dus zonder al te veel fantasie terug te brengen tot halen (hijsen) en brengen (heffen). Bij hijsen hangt de last aan flexibele hulpmiddelen, bij heffen staat de last op een star (en/of in een geleidingsconstructie gevat) draagvlak.

    Aanbevelingen
    Als we die definities handteren, zullen we moeten erkennen dat er in het theater intensief gebruik wordt gemaakt van hijs- en hefwerktuigen, de hele toneeltoren zit er rondom vol mee. Een dergelijke erkenning zou een paar jaar geleden nog vrijwel ondenkbaar zijn geweest, theaterhijswerk was geen hijsen. Maar nu is de Arbeidsinspectie binnen en die ziet plotseling overal stalen steigers (P6), bedrijfsruimten (P30), deuren en beweegbare hekken (P47), wand- en vloeropeningen, ladders, trappen en loopbruggen (P75), takels en vijzels (P80), hoogwerkers (P81), lieren (P82), goederenheffers (P87), liften en soortgelijke werktuigen (P114), hijsgereedschappen en hijswerktuigen (P115), verplaatsbare hangsteigers (P120) enzovoorts, enzovoorts.

    In het theater wordt dat alles vaak door niemand gezien want daar werd vaak een eigen naam bedacht voor een (iets andere) toepassing van een elders gesignaleerde machine, of een elders gehanteerd technisch principe. Laten we eerlijk zijn, ook onder theatertechnici lopen meer handige knutselaars dan originele denkers, laat staan uitvinders. Sommige geven zelfs grif toe dat ze handig zijn in het jatten van andermans werk of ideeën.

    Daarmee stuiten we ook op de kern van het probleem. Een knutselaar wil iets maken; toepassen en verder geen gezeur. Weinig theoretische kennis was zelden een probleem, men kreeg het heus wel aan de praat. Echter, zonder theoretische kennis verdwenen ook de handleidingen en de voorschriften van nieuwe apparatuur in een ladekast of erger, in het zogenaamde ronde archief. Voor de nieuw ontwikkelde installatie werd zelden een nieuwe beschrijving gemaakt, om over een handleiding maar niet eens te spreken. Tenslotte “worden werktuigen in het theater toch anders gebruikt dan zoals beschreven in voorschriften en aanbevelingen”, een citaat uit een boekje van de Commissie van aanbevelingen voor de veiligheid in het theater. Is dat de reden waarom bijvoorbeeld ook de genie-hoogwerkers vaker zonder dan met stempels gebruikt worden? En dat zoiets voor theatersituaties dan maar wel goedgekeurd moet worden? Een commissie van aanbevelingen die stelt dat haar aanbevelingen toch anders gebruikt gaan worden: om met Kit-Kat te spreken: “Waar zijn we nou helemaal mee bezig…”

    Specialisatie
    Om te beginnen wil ik me in dit artikel beperken tot zaken die de hijstechniek betreffen. Laten we daarbij de dingen bij hun echte naam noemen, bij een Babylonische spraakverwarring is niemand gebaat. Ook de traditionele theatertechnicus die een allesweter en een alleskunner zou zijn, moeten we maar eens naar het rijk der fabeltjes verwijzen. In de rest van de samenleving is dat al zo’n 50 tot 100 jaar geleden gebeurd. Daar hebben mensen zich gespecialiseerd en dat heeft de samenleving wel degelijk vooruit geholpen.

    In de beperking toont zich de meester. Je kunt niet alles weten van elk vak. Er lopen veel nitwits op het gebied van de geluidstechniek rond, ik ben er één van. Er zijn zo mogelijk nog meer onbenullen op het gebied van licht en belichtingstechniek, ook daar reken ik mijzelf bij. Van een decorontwerp en –bouw weet ik geen bal, en zo zijn er velen. En er zijn veel onkundigen op het gebied van hijstechniek maar daar reken ik mezelf niet toe! Van diegenen de eenzelfde pretentie hebben, heb ik een aantal al eens meermalen betrapt op enormiteiten, waarmee ze toereikend het tegendeel van hun pretentie hebben bewezen. Wie durft te beweren verstand van hijsen en hijswerktuigen te hebben, maar tegelijkertijd het fundamentele verschil tussen een takel en een lier niet weet aan te geven, zou eigenlijk van zijn verantwoordelijkheden moeten worden ontheven.

    Nu de theaterwereld zichzelf, al dan niet gedwongen door wetgeving, in een dialoog heeft gebracht met de Arbeidsinspectie, vraag ik mij af waar de fundamentele analyse van wat we nu eigenlijk met onze hijswerktuigen willen, blijft. Andere werktuigen in het theater wil ik hier buiten beschouwing laten maar alleen omdat ik daar  niet genoeg van weet. Wel weet ik dat we tussen hijsen en heffen degelijk onderscheid kunnen maken. Als een heftruck geen hijstruck is, een hijskraan geen hefkraan en een hefdeur geen hijsdeur, zullen er voor de theatertechnische installatie toch ook wel sluitende omschrijvingen of definities te maken zijn waarmee ieder zich kan verenigingen. Pas daarna kunnen de eisen van de veiligheidsvoorzieningen aan de beschreven technische installatie of onderdelen daarvan op een fatsoenlijke manier worden ingevuld en geregeld.

    Voorbeeld onderdelen gedefinieerd, VPT, ZichtlijnenBegripsvorming
    Of wij daarna als theatertechnici aan de Arbeidsinspectie moeten gaan uitleggen dat een takel en een lier hijswerktuigen zijn, is dan nog maar de vraag, maar er is tenminste een overeenkomst wat betreft ons denken over de eigen installaties. Dat de Nederlandse Arbeidsinspectie, als enige op de wereld, het niet nodig vindt om voor de ‘doorgestoken aanslag’ een werkbelastingsreductie aan te houden, is toch wel heel vreemd. Als ‘choke’ of ‘einfach geschnürt’ wordt hiervoor in het buitenland 0,7 à 0,8 x de werklast gerekend. Maar dat is kennelijk ook nooit tot het theater doorgedrongen. Weten we in het theater eigenlijk wel wat een doorgestoken aanslag is? Vaak krijg ik de indruk dat men aanslagtechniek als een methode tot het uitvoeren van terrorisme beschouwd.

    Ook de Arbeidsinspectie is niet onfeilbaar, zoals blijkt uit het bovenstaande. Maar we dienen eerst de hand in eigen boezem te steken en de Arbeidsinspectie tegemoet  te treden op basis van eenduidigheid in de begripsvorming binnen de theatertechnische wereld. Het zal nodig zijn om gefundeerde argumenten aan te dragen waarom bepaalde zaken, die door de inspectie worden verlangd in het theater niet haalbaar zouden zijn. Dat betekent dat er in eerste instantie meer fundamentele vragen gesteld moeten worden zoals:

    1. Wat voeren we als theatertechnici uit aan (hijs-)technische handelingen?
    2. Wat voor (hijs)werktuigen en –hulpmiddelen hebben we tot onze beschikking?
    3. Hoe heten die attributen in de officiële wereld?
    4. Wat is de oorsprong ervan, wat zijn de risico’s en wat zijn de regels?
    5. Wat willen wij er mee doen waar ze niet voor zijn ontworpen?
    6. Wat zijn de nieuwe veiligheidsrisico’s waarmee we te maken hebben en hoe waarschuwen we daarvoor?
    7. Wat doen we werkelijk om de risico’s te minimaliseren binnen de beperkingen die de theatersituatie ons oplegt?

    Naast de meer fundamentele vragen, dienen ook meer op de hijstechniek gerichte vragen gesteld te worden, zoals bijvoorbeeld:

    8. Wat is de technische definitie van een ‘trek’ en van de onderdelen?
    9. Wat zijn de maximale belastingen die we daar op los willen laten?
    10. Beschouwen we daarbij alle soorten van belastingen en alle mogelijke belastingcombinaties?
    11. Wat zijn onze criteria bij het formuleren van een gebruiksfactor (en veiligheidsfactor) aan de installatie als geheel of aan een onderdeel, en zijn we in staat om de mogelijk ermee gepaard gaande kostenverhoging ook zelf te verdedigen, zonder steun van de Arbeidsinspectie?
    12. Zijn er fundamentele verschillen in de te eisen gebruiksfactoren van hijswerktuigen als:

    • Er mensen (acteurs of technici) aan gehesen worden,
    • Er mensen onder staan te werken,
    • Er mensen niets vermoedend onder zitten (publiek),
    • Er mensen op moeten kunnen werken (portaal- of lichtbrug)?

    13. Hoe kunnen we aan de bestaande veiligheidseisen van de Arbeidsinspectie tegemoet komen zonder dat het theater een onwerkbare plaats wordt?
    14. Hoe kunnen we op voorhand de vakkenni9s van iemand controleren die beweert verstand te hebben van een bepaalde techniek?

    Maar ook de volgende vragen zijn van belang:

    15. Wat voor technische vakkennis brengen we zelf in om ook op een constructieve manier met buitenstaanders te kunnen praten? (zijn er dan echt geen verschillen tussen een gewichtsstang, een contragewichthouder en een tegengewicht, Zichtlijnen 32, p. 6-8).
    16. Is het terecht dat iemand zonder enige opleiding in het vak waarmee hij bezig is, wordt betaald naar de richtlijnen voor een ongeschoolde?

    Nieuwe sprookjes
    Tot mijn spijt moest ik constateren dat een recent verschenen boekje als Trekkenwand en hulpmiddelen bij het stellen van dit soort vragen in hoge mate in gebreke blijft. Nog afgezien van vele grote en kleine fouten die er in geslopen zijn, is er in de benaderingswijze niet uitgeblonken door helder denkwerk. Het lijkt er op dat er, bij het in druk brengen, vooral sprake is geweest van haastwerk. Het initiatief van zo’n boekje is zeker toe te juichen, het resultaat er van is helaas zonder meer te betreuren. Het voert te ver om het boekje hier te behandelen, maar dat er heel wat sprookjes in staan en er misschien wel weer nieuwe zijn toegevoegd aan het theatertechnisch dossier, zal ik in een volgend artikel willen aantonen.

    Aan nog meer sprookjes hebben we echter geen behoefte. Het wordt tijd dat de theatertechnische prinszijn dromenland verlaat zonder dat hij de Arbeidsinspectie gaat zien als de wortel van al het kwaad.

    Terug

LID WORDEN