• Investeren in cultuur, Jan Knopper, Zichtlijnen 27, februari 1993

    De oudjes onder ons kunnen het zich nog herinneren, de tijd waarin de gesubsidieerde gezelschappen nog wilden reizen, naar alle schouwburgen en concertgebouwen waar maar publiek te vinden was voor toneel, opera, muziek of ballet. Opa kan daar smakelijk over vertellen.

    Over de late avonden na afloop van een geslaagde voorstelling waarop meer gedronken werd dan goed was en optredenden nogal eens bleven logeren omdat de staat waarin zij verkeerden door de plaatselijke koddebeiers werd omschreven met het woord ‘kennelijk’.

    Er was eens
    Mooie tijden waren dat. Wanneer een voorstelling veel publiek trok werd dat toegeschreven aan de verdiensten van het gezelschap, wanneer voor een dweil van een voorstelling geen hond in de zaal te schoppen was, werd de schouwburgdirecteur –destijds ook wel liefkozend zalenboer, raptapper of horekaffer genoemd- daarvoor aansprakelijk gesteld. Zeker weer geen affiches opgehangen. Er heerste duidelijkheid zogezegd.

    Maar gespeeld werd er, in grote en kleine accommodaties. En geld speelde geen rol. Het rijk subsidieerde het aanbod voornamelijk op basis van koppeling aan de bereidheid van provincies en gemeenten hetzelfde te doen, en de gemeenten namen via de subsidiering van hun accommodaties ook nog even de verliezen op voorstellingen voor hun rekening.

    Maar tijden veranderen.

    Maatregelen
    Toen het rijk via verlagingen van de uitkeringen aan het gemeentefonds de broekriemen van de gemeenten gingen aantrekken, ontstonden problemen met die koppelsubsidies. Hier en daar liep een gemeente weg waardoor de verdeelsleutels moesten worden aangepast, met als gevolg dat de resterende gemeenten meer moesten gaan betalen, waardoor de neiging om uit het koppel te stappen opnieuw een impuls kreeg, enzoverder enzovoorts. Die ontwikkeling schreeuwde om maatregelen.

    Nu zijn wij in ons land nooit te beroerd om krachtige maatregelen te nemen, mits die dan wel op een principe berusten. Waar geen principe voorhanden is, voelen we ons gedwongen er een te bedenken. Vandaar dat de principiële afspraak werd bedacht: het rijk zorg (in hoofdzaak) voor het gesubsidieerde aanbod, de gemeenten (in hoofdzaak) voor de afname. De provincies mochten iets doen dat we glashelder en principieel omschreven als het vervullen van een steunfunctie ten behoeve van de spreiding.

    Helder en duidelijk. Voortaan zou het nog mooier worden dan het ooit was.

    Structureren
    De gemeenten deden vervolgens wat van hen verlangd werd. Zij leverden eerst het geld in dat zij daarvoor aan de koppelsubsidiering voor het aanbod uitgaven, pasten vervolgens hun accommodaties aan aan de toenemende wensen van het (rijks)aanbod. Alles bijeen genomen werd voor een paar honderd miljoen aan verbouwingen en aanpassingen in grote en kleine zalen geïnvesteerd, opdat het van rijkswege gesubsidieerde aanbod onder de best mogelijke omstandigheden zou kunne worden ontvangen. En niet alleen het aanbod maar ook het publiek want de gemeenten vonden dat het daarom toch allemaal begonnen is. En wat deed het rijk? Het rijk ging structureren. Koos op principiële overwegingen voor de opzet van een kunstenplansysteem. Elke vier jaar moet voortaan de wereld anders (kunnen) worden ingericht. Flexibiliteit, geen vastgeroeste toestanden meer, niemand mag rekenen op de blijvende omhelzing van rijkswege.

    Dus werden procedures ontworpen en nota’s geschreven. De recente nota Investeren in cultuur is de laatste in de rij.

    Narigheid
    Met die nota is iets vreemds aan de hand. In het inleidende algemene gedeelte staan behartigenswaardige zaken. Zonder enige twijfel kan gesproken worden van een goed doordachte beleidsvisie. Niet in de laatste plaats omdat de deelname van het publiek een centrale plaats wordt toegekend. Eindelijk wordt luid en duidelijk gesteld dat alle inspanningen, van welke aard ook, zonder deelname van het publiek hun zin verliezen.

    Maar ook het inzicht dat de verdeling van de verantwoordelijkheden tussen de verschillende overheidslagen naar de drieslag aanbod, distributie en afname bezien moeten worden vanuit het gezichtspunt van complementair bestuur verdient waardering. Het gaat niet aan, aldus de schrijver van het algemene deel, al te rigoureus tot scheiding van verantwoordelijkheden te komen. Daar komt narigheid van. De ene overheid kan de andere niet alleen maar behandelen als leverancier, groothandelaar of detaillist. Goed gesproken allemaal door een verantwoordelijke mond.

    Vergeten
    Wat is er dan zo vreemd aan die nota? Dat zit hem in het feit dat in de nadere uitwerking per sector ternauwernood iets kan worden gevonden van een consequente doorwerking van de thema’s uit het algemene gedeelte. Het is alsof de naderende uitwerking is geschreven op verschillende tekstverwerkers, in andere kamers, door andere mensen die geen kennis hebben genomen van datgene dat in de inleiding als richtsnoer van rijksoverheidstaken en –verantwoordelijkheden wordt opgesomd.

    Kijken we naar de uitwerking in de zogeheten sectornota Kunsten dan wordt op het eerste gezicht de inhoud van het algemene gedeelte gevolgd. Eerst wordt nog even stilgestaan bij begrippen als kwaliteit en verscheidenheid, sociale en geografische spreiding en doelmatigheid. Weliswaar zonder de rol van de andere overheden te noemen dus zonder te verwijzen naar de complementariteit van de verschillende overheidstaken, maar dat kan alsnog. We vergeten allemaal wel eens wat.

    De markt
    Het wordt eerst echt vreemd wanneer het rijk in zijn uppie vaststelt dat er meer gedaan moet worden aan het verhogen van de eigen opbrengsten. Dat gaat zelfs zo ver dat min of meer gedetailleerd wordt aangegeven hoe dat zou moeten: door verhoging van de toegangsprijs, vergroting van het aantal voorstellingen per productie, door te kijken naar het aantal bezoekers in relatie tot de grootte van de zaal, de hoogte van de afdrachten aan de accommodaties, de mate waarin gebruik gemaakt wordt van kortingssystemen als CJP en seniorenkaart en de hoogte van de productiekosten in relatie tot de opbrengsten. Toch allemaal zaken waarover ook de afnemende gemeentelijke overheden iets te zeggen hebben, zou je denken, zelfs zonder complementariteit van bestuur.

    Vooral van de verhoging van de toegangsprijzen stelt het rijk zich nogal wat voor. Het rijk geeft zelfs al een advies in die richting. De verhogingen zouden kunnen variëren “tussen een rijksdaalder voor de kleine accommodaties en 20 gulden bij een opera”. Als de gesubsidieerde gezelschappen nu maar verstandig volgen wat hier wordt gesuggereerd dan kan ook de zogenaamde 15% norm geen probleem opleveren. Op deze wijze kan namelijk een bedrag van 16 miljoen “uit de makt gehaald worden”.

    Overleg
    Nu weet zelfs de maar half ingewijde in podiumkunstenland natuurlijk al lang dat de rijksoverheid over geen enkele podiumkunstenaccommodatie beschikt. Dat is natuurlijk vervelend, maar ook wel goedkoop. Het scheelt het rijk een paar honderd miljoen per jaar. Maar als je geen gebouw hebt dan heb je ook geen kassa waar die hogere prijzen moeten worden betaald. En je hebt geen directeuren in dienst. Het zijn deze laatsten die in overleg met hun gemeentebesturen de prijzen en de kortingen vaststellen.

    Is het vreemd om in dit verband de vraag te stellen waarover het rijk het nu eigenlijk heeft?

    Met geen woord wordt gesproken over noodzakelijk gemeenschappelijk overleg met de andere overheden volgens de in het algemeen gedeelte van de nota ontwikkelde gedachte aan complementair, aanvullend bestuur. Het rijk doet gewoon het aanbod en verordonneert ook nog even hoe de gemeentelijke gebouwen met hun prijsbeleid dienen om te gaan.

    Eén pennenstreek
    Wordt de rol van de gemeentelijke accommodaties dan helemaal niet genoemd? Jawel, en ook die betreffende tekst is te mooi om hem hier niet te citeren.

    De nota erkent allereerst dat het de accommodaties zijn die het juiste publiek naar de juiste voorstelling kunnen leiden, “beter dan de producerende instellingen”. Maar constateert aansluitend dat de accommodaties “in veel gevallen over onvoldoende mogelijkheden beschikken om gestaag een publiek op te bouwen voor het minder gekende artistiek hoogwaardige aanbod”. Daarom (!) moet er minder gespreid worden, de spreiding moet worden geconcentreerd. “Dit beperkt de kosten en bevordert de publieksopbouw”.

    In de tweede plaats zal in de regio (u weet, dat is Nederland buiten Amsterdam) een gezamenlijke inspanning nodig zijn van de aanbieders en de afnemers om voor het minder gekende aanbod publiek te werven.

    In de derde plaats zullen de podiumkunsteninstellingen “wanneer deze extra inspanningen niet het gewenste resultaat hebben:  gestimuleerd moeten worden de aard van het aanbod meer in overeenstemming te brengen met de publieke belangstelling.

    Kennisnemende van deze teksten springen zelfs de geoefende lezer de veters uit de schoenen van verbazing. Op deze wijze wordt gedacht over de inspanningen die gemeentelijke overheden zich hebben getroost om accommodaties te bouwen en te onderhouden. Met één pennenstreek zijn de meeste daarvan voor wat betreft het (rijks)gesubsidieerde aanbod afgeschreven. De resterende accommodaties zullen een hoogwaardig artistiek aanbod moeten gaan opbouwen.

    En de regio, altijd al een beetje dommer dan Amsterdam,  moet dat doen samen met het aanbod. En als dat allemaal niet helpt, ja dan, dan moet het aanbod gaan nadenken over zijn relatie met het publiek.

    Aldoende mogen de accommodaties wel hun prijzen eens fiks gaan verhogen (keurig) berekend, van een rijksdaalder tot 20 gulden).

    Aldoende moeten de accommodaties wel zorgen dat het rijksaanbod aan de 15%-norm kan komen.

    Gevolgen
    Inmiddels wordt er minder gereisd dan ooit en wordt het aandeel rijksgesubsidieerd aanbod in het totaal van het podiumkunstaanbod verder gemarginaliseerd. Niet tot vreugde van de afnemers, ook niet tot die van menig gesubsidieerde aanbieder van podiumkunst. En het publiek dat moet gaan participeren, dat publiek heeft allang de televisie aangezet.

    Wat de gevolgen zijn van de schone woorden en een daarop niet aansluitende praktijk komt bij de operavoorziening in ons land het meest schrijnend naar voren.

    Daarover de volgende keer.

    Terug

LID WORDEN